De NDP is een partij waar Suriname heel lang al rekening mee moet houden. Maar nog meer, Bouterse was een leider waar Suriname sinds 1975 rekening mee heeft moeten houden.

En daarom is te waarderen zoals Lim van Lim FM de afgelopen dagen de belangrijkste NDP-ers President Simons en Ramon Abrahams na elkaar heeft weten te interviewen. Voor hen die de interviews hebben gemist: ik raad u aan deze interviews na elkaar te beluisteren zodat u een goed overzicht heeft van wat er is gezegd. Het zijn interessante interviews met een schat aan informatie als u ook tussen de regels door luistert en nadenkt.

Op basis van wat ik heb gehoord en heb geanalyseerd kom ik tot de volgende observaties, die ik graag met u deel. De interviews met president Jennifer Simons en Ramon Abrahams leggen een dieper probleem bloot dan een verschil van mening tussen partijgenoten. Achter de beheerste taal van de president en de verbitterde woorden van een oude vertrouweling Ramon Abrahams tekent zich een beweging af die worstelt met leiderschap, loyaliteit, uitsluiting en de pijnlijke overgang van een tijdperk waarin één man de verbindende factor was naar een toekomst waarin instituties het werk moeten doen. Bouterse is overleden maar zijn geest dwaalt nog rond. Nog even en men gaat zijn geest vragen om advies, waarbij het land dan ontwikkeld wordt op basis van visie van een dwalende geest. Dit terwijl Bouterse voor zijn dood had gewaarschuwd voor aanbidding van leiders. In Suriname is alles mogelijk!

De vragen waar ik mee blijf zitten zijn: Wie vormt de achterban van Simons en wie vormt de achterban van Abrahams? Wie zijn deze mensen? En is er sprake van kampen, dan vraag ik me af, hoeveel kampen er zijn binnen de NDP?

En de laatste vraag: Is er nog een NDP zoals die er was onder Bouterse?

De olifant in de kamer is niet meer, maar zijn schaduw regeert nog altijd

Politieke partijen hebben soms een merkwaardige verhouding met hun eigen geschiedenis: zolang de grote leider leeft, wordt zijn gezag als vanzelfsprekend beschouwd, worden conflicten onder zijn toezicht gesust en kunnen tegenstellingen worden toegedekt met de belofte dat uiteindelijk de leider wel zal beslissen, maar zodra diezelfde leider wegvalt, blijkt plotseling dat achter de imposante gevel van de beweging onvoldoende instituties, duidelijke opvolgingsregels en betrouwbare interne overlegstructuren zijn gebouwd om het gewicht van de organisatie zelfstandig te dragen. Dat lijkt, wanneer men de interviews met president Jennifer Simons en Ramon Abrahams naast elkaar legt, een van de belangrijkste vragen te zijn waarmee de Nationale Democratische Partij wordt geconfronteerd.

De NDP heeft politieke macht verworven, maar daarmee is nog niet aangetoond dat zij ook haar interne machtsvraagstuk heeft opgelost. De partij heeft een president voortgebracht die het land moet besturen, maar tegelijk lijkt de discussie over de identiteit, de koers en de onderlinge verhoudingen van de beweging nog altijd sterk te worden bepaald door de man die er niet meer is: Desi Bouterse. Hij is afwezig als leider, maar aanwezig als maatstaf, als herinnering, als symbool en als bron van legitimiteit waarop verschillende mensen zich kunnen beroepen wanneer zij hun eigen plaats in de partijgeschiedenis willen verdedigen.

Dat is geen ongewoon verschijnsel bij politieke bewegingen die gedurende lange tijd rond één dominante persoonlijkheid zijn georganiseerd. Het probleem begint wanneer de herinnering aan die persoon de plaats inneemt van de instituties die hij had moeten helpen opbouwen, want dan blijft de partij wel praten over de erfenis van de leider, maar wordt zij onvoldoende gedwongen om de vraag te beantwoorden hoe zij zonder hem verder moet.

Juist daarom zijn de gesprekken met Simons en Abrahams meer dan twee interviews waarin verschillende meningen over de NDP naar voren komen. Zij bieden een inkijk in twee verschillende opvattingen over leiderschap, politieke loyaliteit en de manier waarop een beweging zichzelf na het wegvallen van haar centrale figuur opnieuw moet uitvinden. Wat de een beschrijft als bestuurlijke verantwoordelijkheid en de noodzaak om niet iedere interne controverse publiekelijk uit te vechten, wordt door de ander ervaren als een gebrek aan verbinding, overleg en betrokkenheid.

En daar begint het werkelijke probleem: wanneer de leiding meent dat zij de rust bewaart, terwijl ervaren partijgenoten het gevoel hebben dat de partij haar mensen niet meer hoort, kan er een kloof ontstaan die niet met een persverklaring, een partijbijeenkomst voor de camera of een beroep op historische loyaliteit wordt gedicht.

Simons spreekt de taal van het bestuur, Abrahams die van de beweging

In het interview met Jennifer Simons valt op dat zij de nadruk legt op de bestuurlijke realiteit van Suriname, op de ernst van de problemen waarmee zij naar eigen zeggen werd geconfronteerd en op de noodzaak om veranderingen stap voor stap door te voeren. Zij stelt dat de toestand van het land slechter was dan zij vooraf had verwacht en noemt onderwerpen als economische en wisselkoersstabiliteit, staatsinkomsten, onderwijs, gezondheidszorg, wegen, sociale ondersteuning en prijsbeheersing als onderdelen van de omvangrijke herstelopgave.

Dat is de taal van iemand die de verantwoordelijkheid voor een land moet dragen en weet dat politieke beloften niet automatisch veranderen in uitvoerbaar beleid. Een president kan niet uitsluitend regeren op basis van historische herinneringen, partijloyaliteit of het verlangen van de achterban om onmiddellijk resultaat te zien. Zij moet prioriteiten stellen, rekening houden met beperkte uitvoeringscapaciteit en omgaan met coalitiepartners die niet noodzakelijk dezelfde politieke belangen of communicatiestijl hebben.

Simons kiest in het interview bovendien voor terughoudendheid wanneer haar vragen worden gesteld over publieke uitspraken van coalitiepartners, interne partijzaken en de kritiek van Abrahams. Zij benadrukt dat bepaalde gesprekken achter gesloten deuren plaatsvinden en dat partijzaken binnen de partij moeten worden besproken. Ook over contacten met Bouterse tijdens diens onderduik wil zij niet in detail treden.

Die houding kan worden verdedigd als een vorm van rolbewustzijn en conflictbeheersing. Niet ieder intern meningsverschil hoeft via de media te worden uitgevochten, en een partijvoorzitter die iedere kritiek onmiddellijk publiekelijk beantwoordt, kan zichzelf gevangen zetten in een eindeloze cyclus van verklaringen, reacties en tegenreacties. Soms is zwijgen inderdaad verstandiger dan spreken.

Maar bestuurlijke terughoudendheid is niet hetzelfde als organisatorische verbinding, en het feit dat een partijvoorzitter zegt dat zaken intern worden besproken, betekent nog niet automatisch dat degenen die zich buitengesloten voelen ook daadwerkelijk ervaren dat er naar hen wordt geluisterd. Daar ligt de grens tussen een begrijpelijke communicatiestrategie en een mogelijk organisatorisch tekort.

Ramon Abrahams spreekt vanuit een andere positie. Hij verwijst naar ongeveer vijftig jaar samenwerking met Bouterse en beschrijft hem als een man die mensen bijeenbracht, verschillende groepen met elkaar verbond en mensen niet gemakkelijk uitsloot. Zijn kritiek op de huidige NDP richt zich op het uitblijven van kadervergaderingen, de gebrekkige betrokkenheid van ervaren partijgenoten, de communicatie binnen de organisatie en het ontbreken van een bindende factor sinds het wegvallen van Bouterse.

Waar Simons spreekt over de verantwoordelijkheid om een land te besturen, spreekt Abrahams over de verantwoordelijkheid om een beweging bijeen te houden. Waar de president de nadruk legt op prioriteiten en het beheersen van politieke conflicten, vraagt de oude vertrouweling waarom mensen die jarenlang deel uitmaakten van de partijgeschiedenis zich niet langer voldoende betrokken voelen.

Het zou te gemakkelijk zijn om de ene visie als volwassen en de andere als nostalgisch af te doen. Een politieke organisatie heeft immers zowel bestuurlijke discipline als menselijke verbinding nodig. Wie alleen maar luistert naar de luidste ontevredenen, kan moeilijk regeren; wie niet meer luistert naar de mensen die de organisatie jarenlang hebben gedragen, kan uiteindelijk ontdekken dat de bestuurlijke rust die hij heeft georganiseerd vooral de stilte is die ontstaat wanneer mensen hun vertrouwen verliezen.

De opvolging van Bouterse is meer dan een kwestie van een nieuwe voorzitter

De diepere betekenis van Abrahams’ kritiek ligt niet uitsluitend in zijn persoonlijke onvrede over de huidige partijleiding. Zijn verhaal wijst op een fundamentele vraag over de overdracht van gezag binnen de NDP: waarop berust de legitimiteit van de huidige leiding, en hoe wordt die legitimiteit door de verschillende lagen van de partij erkend?

Bouterse beschikte volgens Abrahams over een bijzondere combinatie van persoonlijke autoriteit, historische betekenis en het vermogen om mensen bijeen te brengen. Dat is een beschrijving van leiderschap waarin formele macht slechts één onderdeel vormt van het geheel. Een leider kan immers voorzitter zijn zonder dat iedereen hem of haar vertrouwt, en iemand kan buiten de formele leiding staan en toch aanzienlijke invloed behouden omdat anderen hem of haar beschouwen als drager van de geschiedenis van de beweging.

Wanneer zo’n centrale figuur wegvalt, verdwijnt niet alleen een formele machtspositie, maar ook een netwerk van informele afspraken, persoonlijke vertrouwensrelaties en ongeschreven regels waarmee conflicten werden opgelost. Als die functies niet zijn ondergebracht in een betrouwbare organisatie, ontstaat een vacuüm dat verschillende mensen op hun eigen manier proberen te vullen.

Abrahams stelt in zijn interview dat verschillende personen uiteenlopende verhalen vertellen over wat Bouterse over de opvolging zou hebben gezegd. Die bewering kan op basis van het interview alleen niet onafhankelijk worden vastgesteld, maar zij maakt wel zichtbaar hoe gevoelig de vraag naar historische legitimiteit is geworden. Zodra meerdere personen zich op de voormalige leider kunnen beroepen, verandert zijn nalatenschap van een gedeeld verleden in een mogelijk strijdtoneel over het heden.

Dat is het gevaar van een politieke beweging die haar identiteit te sterk aan één persoon heeft gekoppeld: iedereen wil de geschiedenis erven, maar niemand kan de geschiedenis zelf vervangen. De nieuwe leider kan de formele functie overnemen, maar niet automatisch het persoonlijke gezag, het netwerk en de symbolische betekenis die gedurende tientallen jaren zijn opgebouwd.

De NDP staat daarom voor een keuze die veel verder gaat dan de vraag of Simons voldoende lijkt op Bouterse, of Abrahams nog invloed zou moeten hebben, of de oude garde meer ruimte verdient. De echte vraag is of de partij haar legitimiteit voortaan kan baseren op duidelijke procedures, herkenbare prestaties, interne democratie en een gedeelde politieke koers, in plaats van op de vraag wie het dichtst bij de overleden leider stond.

Een beweging die deze overgang niet maakt, blijft voortdurend terugkijken om te bepalen wie vandaag het recht heeft om vooruit te lopen.

Wat is loyaliteit aan de NDP nog waard?

In politieke partijen heeft loyaliteit een bijzondere betekenis. Mensen investeren jarenlang tijd, reputatie, energie en soms persoonlijke offers in een beweging, en verwachten terecht dat hun inzet niet plotseling waardeloos wordt zodra de machtsverhoudingen veranderen. Het is dan ook begrijpelijk dat ervaren partijgenoten gevoelig reageren wanneer zij menen dat zij niet meer worden geraadpleegd of dat hun kennis en bijdrage onvoldoende worden erkend.

Maar loyaliteit heeft twee kanten. Zij kan een beweging bijeenhouden wanneer de omstandigheden moeilijk worden, maar zij kan ook veranderen in een aanspraak op invloed die uitsluitend wordt gelegitimeerd door het verleden. Wie jarenlang aan de zijde van een leider heeft gestaan, bezit daarmee niet automatisch het recht om iedere toekomstige beslissing te bepalen. Historische betrokkenheid verdient erkenning, maar mag geen vervanging worden voor transparante procedures, inhoudelijke argumenten en de verantwoordelijkheid om nieuwe omstandigheden onder ogen te zien.

Tegelijkertijd mag de nieuwe leiding loyaliteit niet behandelen als een ouderwetse politieke gewoonte die zonder veel uitleg kan worden ingeruild voor een nieuwe generatie bestuurders. Een partij die haar ervaren kaderleden onvoldoende betrekt, verliest niet alleen hun goodwill, maar loopt ook het risico dat zij kennis, organisatorisch geheugen en informele verbindingsnetwerken kwijtraakt die niet eenvoudig opnieuw kunnen worden opgebouwd.

De oplossing ligt dus niet in het automatisch gelijk geven aan de oude garde, maar evenmin in het afschrijven van diezelfde garde als een groep mensen die niet tegen verandering kan. De oplossing ligt in het expliciet maken van de regels: hoe worden mensen betrokken, hoe worden functies verdeeld, welke rol speelt ervaring en op welke manier kan een lid invloed uitoefenen zonder zich voortdurend op persoonlijke nabijheid tot Bouterse te hoeven beroepen?

Dat zijn vragen die een serieuze partij niet uit de weg zou moeten gaan. Wie werkelijk vertrouwen heeft in zijn organisatie, hoeft interne kritiek niet te verwarren met een bedreiging van het leiderschap. Een leider die alleen door onbetwiste gehoorzaamheid kan functioneren, heeft immers nog niet bewezen dat hij of zij een sterke organisatie leidt.

Heel lang al geen activiteit in Ocer, heeft NDP niets te melden?

Een van de meest concrete verwijten van Abrahams betreft het volgens hem uitblijven van kadervergaderingen en de onvoldoende betrokkenheid van mensen die jarenlang een rol in de partij hebben gespeeld. Dat is een wezenlijk ander soort kritiek dan een algemene klacht dat de nieuwe leiding niet dezelfde uitstraling heeft als Bouterse, want het gaat hier om organisatorische praktijken die in beginsel controleerbaar zijn.

Wanneer zijn de laatste kadervergaderingen gehouden? Wie werden uitgenodigd? Welke onderwerpen kwamen aan de orde? Hoe worden besluiten teruggekoppeld aan de afdelingen? Welke formele mogelijkheden hebben leden om kritiek te uiten en hoe wordt voorkomen dat een meningsverschil direct verandert in een persoonlijke machtsstrijd?

Op deze vragen zou een partijbestuur concrete antwoorden moeten kunnen geven. Als er regelmatig overleg plaatsvindt, kan de leiding uitleggen hoe dat overleg is georganiseerd en waarom sommige betrokkenen toch menen dat zij onvoldoende worden gehoord. Als overleg inderdaad lange tijd heeft ontbroken, moet worden onderzocht waarom dat zo is en hoe de achterstand wordt ingehaald.

Het onderscheid tussen feitelijke uitsluiting en ervaren uitsluiting is daarbij cruciaal. Het is mogelijk dat mensen daadwerkelijk buiten besluitvorming worden gehouden, maar het is ook mogelijk dat formele kanalen bestaan die onvoldoende duidelijk, toegankelijk of betekenisvol zijn. Beide situaties kunnen tot frustratie leiden, maar vragen niet noodzakelijk om dezelfde oplossing.

Wat niet helpt, is wanneer de ene kant haar ervaring als onomstotelijk bewijs presenteert en de andere kant meent dat de verwijzing naar interne gesprekken voldoende antwoord biedt. De eerste moet bereid zijn concrete beweringen te laten toetsen; de tweede moet begrijpen dat een formele procedure pas vertrouwen opbouwt wanneer mensen daadwerkelijk merken dat zij werkt.

Daar ontstaat een bekend mechanisme in organisaties: wanneer leden zich onvoldoende gehoord voelen, gaan zij hun onvrede buiten de organisatie uiten; de leiding ervaart die publieke kritiek vervolgens als ondermijnend en wordt nog terughoudender; die terughoudendheid bevestigt bij de critici het gevoel dat zij niet meer welkom zijn. Uiteindelijk raakt iedereen overtuigd van zijn eigen gelijk, terwijl de organisatie steeds minder in staat is de onderliggende kwestie op te lossen.

Als Abrahams gelijk heeft over het gebrek aan structureel overleg, is dat geen klein communicatieprobleem, maar een bestuurlijke zwakte binnen de partij. Als zijn beeld onvolledig is, moet de leiding dat met concrete informatie duidelijk kunnen maken. In beide gevallen ligt de verantwoordelijkheid bij de NDP om haar interne organisatie toetsbaar en geloofwaardig te maken.

Staat de President Simons los van de Partij NDP?

Voor Simons is de situatie ingewikkelder dan voor een gewone partijvoorzitter, omdat zij niet alleen de interne verhoudingen binnen de NDP moet bewaken, maar ook als president verantwoordelijkheid draagt voor het functioneren van de staat en het onderhouden van een coalitie. Dezelfde uitspraak die vanuit een partijpolitiek perspectief als onvoldoende betrokkenheid kan worden ervaren, kan vanuit het presidentschap een bewuste poging zijn om onderhandelingen niet onnodig te beschadigen.

Wanneer zij zegt dat bepaalde gesprekken achter gesloten deuren plaatsvinden, is dat op zichzelf niet verdacht of uitzonderlijk. Politieke onderhandelingen vereisen soms vertrouwelijkheid, en een president kan niet iedere onenigheid met coalitiepartners onmiddellijk aan het publiek voorleggen zonder de ruimte voor compromissen te verkleinen.

Maar ook hier geldt dat vertrouwelijkheid geen vrijbrief is voor onduidelijkheid. Een regering hoeft niet ieder detail van haar onderhandelingen openbaar te maken, maar moet wel uitleggen welke doelen zij nastreeft, welke keuzes zij maakt en hoe resultaten kunnen worden beoordeeld. Binnen de partij geldt een vergelijkbare verantwoordelijkheid: niet ieder conflict hoeft in de media te worden uitgevochten, maar leden moeten wel weten waar zij terechtkunnen en hoe hun zorgen worden behandeld.

Simons’ dubbele rol maakt het noodzakelijk om onderscheid te maken tussen regeringscommunicatie en partijcommunicatie. Als president moet zij boven de belangen van één partij kunnen handelen en rekening houden met coalitiepartners; als NDP-voorzitter moet zij ervoor zorgen dat de eigen beweging haar koers, identiteit en interne participatie niet verliest.

Het probleem ontstaat wanneer deze twee verantwoordelijkheden onvoldoende van elkaar worden onderscheiden en de partijvoorzitter zich verschuilt achter de terughoudendheid van het presidentschap, of wanneer partijleden van de president verwachten dat zij iedere interne kwestie publiekelijk oplost. Beide verwachtingen kunnen onrealistisch worden.

De echte toets is niet of Simons elk conflict onmiddellijk beantwoordt, maar of zij geloofwaardige mechanismen laat functioneren waarmee conflicten worden besproken, besluiten worden uitgelegd en partijleden invloed kunnen uitoefenen. Bestuurlijke rust is waardevol, maar zij wordt pas duurzaam wanneer zij berust op vertrouwen en niet uitsluitend op het vermijden van lastige gesprekken.

De drie gedetineerde partijgenoten en de grenzen van de rechtstaat

Een bijzonder gevoelige kwestie in Abrahams’ interview betreft zijn bewering dat drie gedetineerde voormalige medestrijders in de steek zouden zijn gelaten en dat tijdens de campagne beloften zouden zijn gedaan over hun vrijlating. Dit zijn ernstige politieke verwijten, maar het interview alleen biedt onvoldoende basis om vast te stellen wat precies is beloofd, door wie dat is gedaan en welke juridische mogelijkheden er bestaan.

Toch raakt deze kwestie aan een belangrijk onderdeel van de partijcultuur: de verwachting dat een beweging haar mensen niet vergeet wanneer zij in moeilijkheden verkeren. Voor iemand die loyaliteit beschouwt als een langdurige wederzijdse verplichting, kan het uitblijven van zichtbare steun worden ervaren als verraad, zeker wanneer die persoon meent dat tijdens de politieke campagne verwachtingen zijn gewekt.

Daarbij moet een fundamenteel onderscheid worden gemaakt tussen het bieden van juridische ondersteuning, het voeren van overleg over een zaak en het garanderen van een bepaalde juridische uitkomst. Een politieke partij kan verantwoordelijkheid nemen voor de manier waarop zij haar leden ondersteunt, maar zij kan niet zonder meer de rechtsstaat vervangen of een vrijlating garanderen wanneer daarvoor onafhankelijke juridische besluiten nodig zijn.

Juist daarom vraagt deze kwestie om helderheid in plaats van insinuaties. Als er concrete beloften zijn gedaan, moeten die nauwkeurig worden benoemd en moet worden uitgelegd wat daarvan kan worden waargemaakt. Als verwachtingen zijn ontstaan die niet konden worden gegarandeerd, moet de politieke leiding dat eerlijk erkennen. Een beroep op interne vertrouwelijkheid kan niet eindeloos dienen als antwoord op een kwestie die voor betrokkenen en achterban van groot belang is.

De zaak laat bovendien zien waarom loyaliteit zonder duidelijke grenzen problematisch kan worden. Een partij die haar mensen volledig laat vallen zodra zij niet meer politiek bruikbaar zijn, ondermijnt haar eigen geloofwaardigheid; een partij die suggereert dat loyaliteit automatisch recht geeft op een bepaalde juridische uitkomst, ondermijnt de scheiding tussen politieke verbondenheid en rechtsstatelijke verantwoordelijkheid.

Een volwassen politieke beweging moet beide kunnen doen: haar mensen serieus ondersteunen én duidelijk maken dat rechtsstatelijke procedures niet simpelweg ondergeschikt kunnen worden gemaakt aan partijloyaliteit.

Standbeelden voor Bouterse lossen het huidig probleem binnen en buiten de NDP niet op

Abrahams’ pleidooi voor een borstbeeld, standbeeld of monument voor Bouterse brengt de discussie naar het terrein van de nationale herinnering. In zijn verhaal staat Bouterse vooral voor verbinding, nationalisme, politieke strijd en het vermogen om mensen bijeen te brengen, al erkent hij ook dat er negatieve aspecten aan diens geschiedenis waren.

Dat is zijn interpretatie van de voormalige leider en moet als zodanig worden begrepen. De publieke beoordeling van Bouterse is breder en omstreden, en een discussie over een monument kan niet worden teruggebracht tot de herinnering van één politieke vertrouweling. Een monument in de openbare ruimte is immers niet alleen een eerbetoon, maar ook een uitspraak over de geschiedenis die een samenleving zichtbaar wil maken en de personen die zij als nationale symbolen beschouwt.

Nostalgie heeft een begrijpelijke functie in een periode van onzekerheid. Zij biedt een verhaal waarmee mensen hun verleden kunnen verbinden aan het heden, en zij kan een beweging helpen herinneren waarom zij ooit is ontstaan. Maar nostalgie is geen vervanging voor een actuele politieke koers, en een monument kan geen organisatorische problemen oplossen.

Een standbeeld kan de herinnering aan Bouterse verankeren, maar het kan geen kadervergaderingen organiseren, geen interne conflicten bemiddelen, geen opvolgingsregels vaststellen en geen vertrouwen herstellen tussen een partijleiding en haar kritische kaderleden. Wie de historische leider werkelijk wil eren, zou zich daarom ook moeten afvragen welke organisatorische erfenis de beweging van hem heeft overgenomen en welke instituties zij heeft gebouwd om zelfstandig verder te kunnen.

Het gevaar is dat de NDP zich vastklampt aan de symbolen van haar verleden omdat zij het moeilijk vindt een overtuigend antwoord te formuleren op de eisen van haar toekomst. Dan wordt de strijd om de herinnering aan Bouterse een manier om de strijd over de huidige organisatie uit te stellen.

De vraag is niet of Bouterse een plaats in de geschiedenis van Suriname heeft; zijn rol in de politieke geschiedenis is onmiskenbaar en onderwerp van uiteenlopende beoordelingen. De vraag is of de NDP in staat is die geschiedenis te erkennen zonder haar politieke identiteit volledig afhankelijk te maken van de persoon die haar lange tijd heeft gedomineerd.

Heeft de NDP een nieuwe Bouterse nodig?

Wanneer beide interviews samen worden beluisterd, wordt duidelijk dat de kern van de kwestie niet uitsluitend ligt in een persoonlijk conflict tussen Simons en Abrahams. De interviews bieden geen voldoende grond om te concluderen dat Simons bewust mensen uitsluit, dat Abrahams namens de gehele partij spreekt of dat alle interne verhoudingen door één machtsstrijd worden bepaald. Zij laten wel zien dat er verschillende opvattingen bestaan over wat de NDP bijeenhoudt en hoe de partij na Bouterse moet functioneren.

Abrahams vertegenwoordigt in het gesprek de nadruk op continuïteit, historische loyaliteit, persoonlijke verbinding en de betrokkenheid van ervaren kaderleden. Simons benadrukt vooral bestuurlijke verantwoordelijkheid, prioriteiten, gefaseerde verandering en het vermijden van publieke escalatie. Die accenten hoeven elkaar niet uit te sluiten, maar worden problematisch wanneer de ene kant verbinding als voorwaarde voor legitimiteit ziet en de andere kant terughoudendheid als voldoende bewijs van verantwoordelijkheid beschouwt.

Een volwassen NDP zou historische ervaring moeten kunnen combineren met nieuwe vormen van leiderschap, zonder dat ervaring automatisch een recht op macht oplevert en zonder dat vernieuwing betekent dat het verleden wordt afgeschreven. Zij zou interne kritiek moeten kunnen organiseren zonder ieder meningsverschil als een bedreiging te behandelen, en zij zou haar leiders moeten kunnen aanspreken zonder de partij te veranderen in een arena waarin persoonlijke loyaliteiten belangrijker zijn dan inhoudelijke argumenten.

Dat vraagt om meer dan een beroep op eenheid. Eenheid is geen slogan die kan worden afgekondigd terwijl mensen het gevoel hebben dat zij niet worden gehoord; zij is het resultaat van procedures die als eerlijk worden ervaren, leiders die verantwoordelijkheid afleggen, leden die invloed kunnen uitoefenen en een politieke koers die verder reikt dan de herinnering aan een overleden leider.

De NDP moet daarom concreet maken hoe zij haar kader bijeenbrengt, hoe zij besluitvorming organiseert, hoe zij opvolging regelt en hoe zij interne conflicten oplost. Als Abrahams’ kritiek op het ontbreken van overleg niet klopt, moet dat aantoonbaar kunnen worden gemaakt; als zij wel klopt, moet de partij bereid zijn de tekortkomingen te erkennen. En als Simons terecht stelt dat het land herstel en verandering nodig heeft, geldt dezelfde logica ook voor de politieke organisatie waarvan zij voorzitter is: herstel begint met het benoemen van problemen, niet met de verwachting dat ze vanzelf verdwijnen.

De grootste fout zou zijn om deze discussie te reduceren tot de vraag wie loyaal is aan Bouterse en wie dat niet is. Daarmee wordt de voormalige leider opnieuw de maatstaf voor iedere politieke keuze en blijft de NDP gevangen in een opvolgingsstrijd die zij juist zou moeten overstijgen. De werkelijke maatstaf moet zijn of de partij in staat is haar geschiedenis om te zetten in een organisatie die haar leden serieus neemt, haar besluiten kan uitleggen, haar verantwoordelijkheden kent en haar politieke beloften omzet in resultaten.

Want een beweging die alleen onder de persoonlijke leiding van één man bijeen kan blijven, heeft wel een leider gehad, maar nog niet bewezen dat zij een sterke instelling is geworden.

Conclusie

De toekomst van de NDP wordt uiteindelijk niet beslist door de vraag wie het dichtst bij Bouterse stond, wie zijn naam het vaakst noemt of wie het overtuigendst aanspraak maakt op zijn nalatenschap. Zij wordt beslist door de vraag of de partij de persoonlijke verbindingskracht uit haar verleden kan vertalen naar een organisatie die ook zonder die ene centrale figuur functioneert. Zolang zij dat niet doet, zal de schaduw van Bouterse groter blijven dan de instituties van de partij, en zal de NDP wel over haar verleden blijven spreken, maar onvoldoende antwoord geven op de vraag wat zij in de toekomst wil zijn.

Dr. Ashwin Ramcharan RO

Geef een reactie

Trending