
Als de regering weigert het geld van het volk aan het volk te geven dan moet het volk die regering wegstemmen, opdonderen.
Zonder helicopter geld, Royalties voor Iedereen, Gratis geld voor alle arme Surinamers, gaan de armen in Suriname niets zien van de Olie en Gas inkomsten. Nog erger, deze grote groep Surinamers, die al 51 jaar geduldig wacht op vooruitgang, gaat juist heel sterk achteruit.
Voorbeelden genoeg uit Guyana: alles wordt duurder en onbetaalbaarder, huur wordt, duur, wonen wordt duur, alles in de winkels wordt duur. Met andere woorden, als de overheid geen geld uitstrooit over de armen worden de armen nog armer. En terwijl de regering spreekt over structurele ontwikkeling, heeft zij een instrument om de rijkdom rechtstreeks met burgers te delen voorlopig in de ijskast gezet.
Royalties voor Iedereen moeten terug en het bedrag moet meer dan 5 keer hoger. Dus niet 750 maar 5000 usd per persoon. Ja, de armen hebben recht op dit geld, het is van hun, het is hun land, en zij mogen ermee doen wat ze willen. Dit gaat een enorme impuls geven aan de groei van de economie en de vooruitgang van het land.
Alleen in Olie en Gas landen waar er geld over de armen wordt uitgestrooid is er vooruitgang van de armen. Dit in Saoedi Arabië, Dubai, Quatar, Bahrein, Abu Dhabi, gebeurd. De overheid heeft ruim 40 jaar geld over de gewone mensen uitgestrooid en tegelijkertijd de vitale sectoren verbeterd. In landen waar dit niet grootschalig is gebeurd is er zero vooruitgang geweest en is een klein groepje rijke geworden, maar niet de armen.
Ik leg het uit.
Royalties voor Iedereen: de manier om de armen direct te helpen
In november 2024 kondigde president Chan Santokhi het programma Royalties voor Iedereen (RVI) aan. Het programma moest iedere in aanmerking komende burger rechtstreeks laten delen in de toekomstige olie-inkomsten. Het model voorzag aanvankelijk in een bedrag van US$ 750 per burger; het later vastgestelde programma werkte met een individueel voorwaardelijk recht van US$ 1.275, met bijzondere aandacht voor vervroegde toegang voor senioren en mensen met een beperking. Het programma werd in mei 2025 bij staatsbesluit vastgelegd.
Na het aantreden van de regering-Simons werd het programma echter opgeschort voor evaluatie. Pure jaloezie en rancune. President Simons stelde dat er nog geen royalty-inkomsten waren en dat eerst duidelijk moest worden hoe het programma juridisch, financieel en technisch in elkaar zat. In september 2025 bevestigde minister Adelien Wijnerman dat RVI voorlopig on hold werd gezet. Olie dom. Zo willen de regeerders het volk dom en arm houden want dan kunnen ze die armen weer als stemvee gebruiken bij de verkiezing.
Politiek gezien mag de vraag worden gesteld waarom een initiatief dat rechtstreeks voortkwam uit het beginsel dat natuurlijke rijkdommen het volk toebehoren, niet met dezelfde voortvarendheid is verbeterd en voortgezet.
Als het oorspronkelijke model juridische of financiële tekortkomingen had, repareer het dan. Als de financiering niet deugt, ontwerp een beter model. Als de uitvoering onvoldoende transparant is, maak haar controleerbaar. Maar gooi het principe niet overboord omdat de voorganger het heeft bedacht. Nationale rijkdom is geen partijbezit en sociaal-economisch beleid behoort geen wisselgeld te zijn in de politieke afrekening tussen opeenvolgende regeringen.
Helicopter money: geef burgers ook economische zelfstandigheid
In de economische discussie bestaat het idee van een directe geldinjectie bij burgers, vaak aangeduid met de term helicopter money, een begrip dat bekend werd door monetair econoom Milton Friedman. Het beeld is eenvoudig: geld wordt rechtstreeks bij huishoudens terechtgebracht, zodat zij zelf kunnen bepalen waaraan zij het besteden.
Het RVI-programma was niet hetzelfde als klassiek helicopter money. Het was ontworpen als een verdelingsmechanisme gekoppeld aan toekomstige royalty-inkomsten. Maar de economische gedachte achter beide benaderingen raakt aan een belangrijk principe: burgers moeten niet uitsluitend afhankelijk zijn van de overheid om van nationale welvaart te profiteren. Een directe uitkering kan huishoudens helpen schulden af te lossen, noodzakelijke aankopen te doen, een kleine onderneming te ondersteunen of een financiële buffer op te bouwen. Dat betekent niet dat iedere uitkering automatisch productief wordt besteed. Daarom zijn een solide financieringsmodel, transparante uitvoering en bescherming tegen inflatie essentieel.
De overheid moet bovendien haar kerntaken uitvoeren: goed onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur, veiligheid en een betrouwbaar sociaal vangnet. Directe geldverdeling is geen vervanging voor deze voorzieningen, maar kan er een aanvulling op zijn. Het ene sluit het andere niet uit.
De overheid kan niet iedereen tot olie-expert opleiden
Natuurlijk moet Suriname investeren in opleidingen, technische scholen, universiteiten en beroepsgerichte trainingen. De overheid moet zorgen dat jonge Surinamers toegang krijgen tot de vaardigheden waarmee zij kunnen deelnemen aan de nieuwe economie. Maar laten we ook realistisch zijn: niet iedere burger wordt petroleum engineer, financieel analist, offshore-specialist of ondernemer in de toeleveringsketen.
Wat doen we met de gepensioneerde die zijn hele leven heeft gewerkt? Met de winkelier die nauwelijks zijn hoofd boven water houdt? Met de buschauffeur, de marktverkoper, de verpleegkundige en de schoonmaker? Moeten zij maar tevreden zijn met de mededeling dat er miljarden aan olie-inkomsten binnenkomen en dat de economie als geheel daarvan zal profiteren?
Dat is precies waarom een directe verdeling van een deel van de nationale rijkdom economisch en maatschappelijk relevant is. De natuurlijke hulpbronnen behoren niet uitsluitend toe aan degenen die over de juiste diploma’s, connecties of financiële middelen beschikken. Zij behoren toe aan de natie.
De grote oliebelofte en de kleine groep die profiteert
De uitspraak dat 99 procent van de arme Surinamers niets rechtstreeks uit de sector zal verdienen, is geen vastgesteld statistisch gegeven, maar drukt wel een reëel risico uit: de toegang tot de economische kansen is bepaald niet gelijk verdeeld.
Blok 58, waar de eerste productie medio 2028 wordt verwacht, ontstaat het perspectief op miljarden aan investeringen, overheidsinkomsten en economische activiteit. Maar laten we één vraag niet uit de weg gaan: wie gaat daar werkelijk van profiteren?
De olie-industrie is geen werkgelegenheidsproject waarin iedere Surinamer zomaar kan instappen. Zij vraagt om gespecialiseerde kennis, technische vaardigheden, internationale certificeringen, kapitaal, ervaring in projectmanagement, logistiek, engineering, veiligheid en dienstverlening. De bedrijven die deze sector bedienen, selecteren op kwaliteit, productiviteit en aantoonbare competenties. Wie daaraan niet voldoet, komt eenvoudigweg niet aan tafel. Het is daarom naïef om te veronderstellen dat de olie-industrie vanzelf honderdduizenden banen zal opleveren voor de lokale bevolking. Een aanzienlijk deel van de hoogwaardige functies en contracten zal terechtkomen bij internationale specialisten en bedrijven, tenzij Suriname erin slaagt zijn eigen mensen en ondernemingen tijdig te ontwikkelen. Ook de overheid heeft erkend dat structurele versterking van lokale kennis en capaciteit noodzakelijk is.
Mijn stelling is scherp: zonder een radicale investering in onderwijs, vakmanschap en ondernemerschap dreigt een groot deel van de bevolking slechts toeschouwer te worden van de grootste economische ontwikkeling uit de moderne Surinaamse geschiedenis.
Olie geld is van het volk, niet van de regering
De regering-Simons spreekt terecht over het belang van blijvende kennis, lokale capaciteit en economische ontwikkeling. In haar jaarrede van september 2026 benadrukte de president dat olie en gas niet alleen kapitaal, maar ook kennis en vakmanschap moeten achterlaten.
Maar structurele ontwikkeling mag geen excuus worden om burgers hun rechtstreekse aandeel in de nationale rijkdom te onthouden. Niet iedereen kan deelnemen aan de olie-industrie, maar iedereen behoort te kunnen meeprofiteren van de natuurlijke hulpbronnen van het land. Suriname moet daarom een systeem ontwikkelen waarin een deel van de gerealiseerde royalty-inkomsten rechtstreeks aan burgers wordt uitgekeerd, terwijl een ander deel wordt gespaard en geïnvesteerd in onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur en economische diversificatie. Zo combineren we individuele economische zelfstandigheid met collectieve ontwikkeling.
De grootste misdaad na de onafhankelijkheid van 1975 zou zijn dat Suriname straks miljarden verdient, terwijl de gewone Surinamer opnieuw moet toekijken hoe anderen rijk worden van de bodem waarop hij leeft. Want als de olie werkelijk van het volk is, moet het volk dat niet alleen in toespraken horen, maar ook in zijn portemonnee en in zijn toekomst kunnen merken.
De olie inkomsten zijn van de armen en niet alleen van de rijken en de politici.
Dr. Ashwin Ramcharan
Check ook SurinameNU.com – Nieuws, Cultuur & Mensen voor gratis nieuws en boeken over Suriname
Geef een reactie